PSSM.eu

Het management van een paard met PSSM is er op gebaseerd om aanvallen van spierbevangenheid of tying-up te voorkomen. 

Bij het management (voeding, huisvesting en beweging) van een paard met PSSM dient rekening te worden gehouden met welk type PSSM het paard heeft (type 1 of type2).


PSSM TYPE 1 - voeding


Vanwege de overdadige suikeropslag in de spieren is het zaak een PSSMer zo suikerarm mogelijk te voeren. De maatstaf die daarbij wordt gehanteerd is dat alles wat je een PSSMer voert minder dan 12% maar liefst eigenlijk minder dan 10% suikers mag bevatten –het liefst veel minder! Dit geldt voor zowel het ruwvoer als het krachtvoer dat een PSSMer krijgt, maar eventuele tussendoortjes en beloningen tellen hierbij uiteraard ook mee. Veruit de meeste paardensnoepjes die in de winkel verkrijgbaar zijn bevatten veel te veel suiker voor een PSSMer, maar de meeste fruitsoorten zijn door hun hoge suikergehalte ook ongeschikt voor paarden met PSSM type 1. Let op, koolhydraten en zetmeel zijn ook suikers! 

 

Omdat PSSMers suiker snel opslaan en te langzaam vrij laten komen, is het ook zaak om ervoor te zorgen dat er geen pieken ontstaan in de suikeropname, want hiermee wordt de maximale suikeropname van de spieren van een PSSMer al snel overschreden, waarna het paard accuut symptomatisch kan worden. Om deze reden kan een klein stukje fruit of een stukje brood al voor problemen zorgen, want deze kunnen al een dergelijke suikerpiek veroorzaken. Ook gras is om die reden meestal geen geschikt voer voor een PSSMer. Onder invloed van bijvoorbeeld het weer verandert het suikergehalte van gras gedurende de dag (en nacht!) constant. De instabiliteit van het suikergehalte van gras maakt het voor de meeste PSSMers een ongeschikt voedingsmiddel. Nederlands gras is bovendien over het algemeen van oorsprong ontwikkeld voor koeien, die een hoog suikergehalte nodig hebben voor de melkproductie. Om die reden is Nederlands gras meestal niet geschikt voor PSSMers. Sommige PSSMers kunnen met een graasmasker op toch (beperkt) op de wei.

 

Tot nu toe is er steeds gepraat over “suikers”. Dit is uiteindelijk het probleem waar een PSSMer mee kampt. Sommige voedingsmiddelen zijn zelf geen suiker, maar worden door het lichaam wel razendsnel in suiker omgezet. Deze voedingsmiddelen zijn rijk aan koolhydraten. Granen zijn hier een goed voorbeeld van. Granen zijn hierdoor ook niet geschikt voor paarden met PSSM type 1. Wanneer we het dus hebben over het suikergehalte van het voer, hebben we het dus eigenlijk over suikers + koolhydraten (op voerverpakking ook vaak vermeld als zetmeel).

Veel voedingsmiddelen die wij als normaal paardenvoer beschouwen zijn vanwege hun te hoge suikergehalte ongeschikt voor paarden met PSSM type 1. Voorbeelden van ongeschikte voedingsmiddelen voor PSSMers zijn: granen, fruit, paardensnoepjes, melasse, brood, suikerklontjes, mais, etc.

 

De basis voor een PSSMer –zoals bij elk paard- is ruwvoer. Zoals we gezien hebben, is gras veelal geen geschikt ruwvoer voor PSSMers, maar hooi daarentegen wel, het liefst zo arm mogelijk. Helaas is er geen enkele manier om aan het hooi zelf te zien hoe suikerrijk het is. De enige manier om te weten hoeveel suikers er in het hooi zitten, is om het hooi te laten testen. Indien dit niet tot de mogelijkheden behoort, is het zaak het paard goed in de gaten te houden om te zien hoe het op het hooi reageert.

 

Om ook met het ruwvoer suikerpieken zoveel mogelijk te voorkomen, is het een goed idee om te proberen het paard zo langzaam mogelijk te laten eten om zo de voedsel- en daarme de suikerinname van het paard zoveel mogelijk uit te spreiden over de dag. Zogenaamde slowfeeders zoals fijnmazige hooinetten zijn hierbij een uitkomst.

 

De meeste paarden hebben aan hooi genoeg voor hun energie. Slechts wanneer het aantal kilo’s hooi dat je paard op een dag krijgt niet genoeg energie kan leveren voor de gevraagde arbeid, is het noodzakelijk energie bij te gaan voeren. Een goed alternatief voor suikers als energiebron is vet. Geschikte vetbronnen voor paarden zijn bv lijnzaadolie of gemicroniseerd lijnzaad, saffloerolie of cocosolie . Voor wat betreft hoeveelheid moet gedacht worden in de richting van een half kopje tot twee kopjes per dag (grofweg 100 tot 500 ml), afhankelijk van behoefte. Het is verstandig om het bijvoeren van olie heel geleidelijk in te voeren. Een paard dat de vetten niet volledig gebruikt door middel van lichaamsbeweging loopt het risico insulineresistent te worden.

 

Hoewel het Nederlandse hooi veelal genoeg energie bevat, zijn andere voedingsstoffen niet altijd voldoende, teveel of niet in de juiste verhouding aanwezig. Dit kan op een PSSMer een groter effect hebben dan op een normaal paard. PSSMers lijken over het algemeen sowieso bevattelijker voor ziektes en aandoeningen. Het is niet precies bekend hoe dat komt. Ook hier is een hooianalyse de beste richtlijn, maar waar dit niet mogelijk is, is een balancer vaak een goed idee. In Nederland geproduceerde balancers zijn afgestemd op in Nederland vaak voorkomende tekorten en scheve verhoudingen in het hooi en dus vaak de betere keus. Let bij de keuze van een balancer of vitaminepreparaat goed op de grondstoffen en het suikergehalte van het product!

 

Veel eigenaren van PSSMers hebben ondervonden dat het geven van extra magnesium (8-15 gram) een PSSMer enorm kan helpen om zacht te blijven in de spieren. Een teveel aan calcium werkt de opname van magnesium tegen, dus het is verstandig een PSSMer geen extra calcium bij te voeren als deze ook extra magnesium krijgt.

 

Veel PSSMers hebben baat bij extra Vitamine E (2000 - 10000IU). Vitamine E zit voornamelijk in vers groenvoer en aangezien verreweg de PSSMers niet tegen gras kunnen, is het van belang dit aan te vullen. Natuurlijke vitamine E wordt beter door het lichaam opgenomen dan synthetische vitamine E. Selenium bevordert de opname van Vitamine E en daardoor zie je dat in vrijwel alle in E supplementen ook selenium zit. Er wordt vaak gevreesd voor een teveel aan selenium in de voeding van het paard omdat dit toxisch kan zijn en daarom zit in de meeste commerciële producten een vrij lage dosering selenium. Dit is een prima voorzorgsmaatregel, maar er zijn in Nederland ook gebieden met seleniumarme grond en een seleniumtekort uit zich ook bij normale paarden in spierproblemen. Voor PSSMers is het dus extra belangrijk om na te gaan of het paard voldoende selenium binnen krijgt in de voeding. Als er geen hooianalyse voorhanden is en je vreest dat je in een seleniumarm gebied zit, kan een bloedtest uitkomst bieden. Let op: een teveel aan vitamine E kan een paard reactief maken. Is dat het geval, probeer dan een lagere dosering.

 

Paarden krijgen vrijwel altijd te weinig zout binnen (dit in tegenstelling tot de meeste mensen) . Zout is belangrijk voor de electrolytenhuishouding van het paard. Electrolyten zijn van invloed op de spierfunctionaliteit en zijn daarmee voor een PSSMer erg belangrijk. Het is dus een goed idee om je paard altijd de beschikking te geven over een zoutblok. Liefst nog doe je wat extra zout (15 - 40 gram) door het voer. 

 

Het lastige bij PSSMers is dat elk paard anders kan reageren op bepaalde voedingsmiddelen en supplementen. Het is een kwestie van uitproberen wat voor elk individueel paard werkt.


PSSM type 1 - beweging

 

Een paard met PSSM heeft baat bij zoveel mogelijk beweging. Dagelijkse beweging belangrijk voor het verbruiken van glucose. Bovendien verbetert bij dagelijkse beweging de energiehuishouding in de skeletspieren. Een verlengde rustperiode na een aanval van tying-up werkt vaak averechts en maakt het paard kwetsbaarder voor nieuwe aanvallen. Voor een paard met PSSM is het belangrijk op een kleine paddock te staan zodra het paard weer wil bewegen na een aanval. Daarna heeft het paard baat bij een zo groot mogelijke ruimte, liefst met soortgenoten en zoveel mogelijk uren per dag. Dagelijks op een groot stuk grond met soortgenoten kan erg bijdragen aan het voorkomen van nieuwe aanvallen omdat het de energiestofwisseling versterkt. Het liefst zien we de paarden op de weide, maar hoewel de beweging bij weidegang heel goed is voor een PSSM-er, is vooral het Nederlandse gras niet altijd geschikt voor ze. Veel PSSM-ers kunnen helemaal niet meer op de wei, omdat de voedingswaarde te onvoorspelbaar is. Stressvolle gebeurtenissen en een stressvolle omgeving moeten vermeden worden voor een paard met PSSM. 


Na een aanval van tying-up moet de training weer rustig opgebouwd worden. Daarbij is het belangrijk dat het paard kan wennen aan een eventueel nieuw dieet (ongeveer 2 weken). Verder is de duur van de training belangrijker dan de intensiteit. Vijf minuten stap en/of draf per dag is voldoende de eerste dagen, daarna kan het elke dag met 2 minuten worden verlengd. Als het paard een training 15 minuten aankan, kan een pauze van 5 minuten stap worden ingevoerd en daarna kan opgebouwd worden tot een aantal intervallen van stap en draf. Voor er overgegaan wordt tot de galop, moeten er zeker 3 weken van stap en draf aan voorafgegaan zijn. De opbouw van de training moet geleidelijk gaan en ook consequent worden doorgezet. Rustdagen moeten zoveel mogelijk vermeden worden. Het is belangrijk dat het paard elke dag beweegt. Verder is het erg belangrijk veel aandacht te besteden aan de warming-up en cooling down en vooral ook te kijken wat voor het individuele paard het beste werkt. 

Het is gebleken dat PSSM-ers waarbij men het dieet aanpaste en zorgde voor een consequente beweging de aanvallen, in 75% van de gevallen geen nieuwe aanvallen van tying-up kregen. Men vond in onderzoek dat wanneer alleen het dieet wordt aangepast, 50% van de paarden met PSSM verbeterden. Als zowel het dieet als de beweging werden aangepast, verbeterde 90% van de paarden. De paarden hadden minder aanvallen van tying up. Paarden met PSSM blijven echter altijd gevoelig voor nieuwe aanvallen. Als men vermoed dat ze weer last hebben, bijvoorbeeld als er een verstoring in het trainingsprogramma is geweest of doordat het paard ziek is door een andere oorzaak, moet men weer teruggaan naar een rustig trainingsschema en geleidelijk weer opbouwen.

Het moeilijkste aan het hebben van een paard met PSSM zijn de tijd, het consequent zijn qua training, het uitzoeken van het voer en de extra kosten die het met zich meebrengt. Bovendien is het lastig uit te vinden wat voor welke PSSM-er goed werkt. Paarden met PSSM zijn daarom moeilijk te managen. Er wordt beweerd dat veel paarden met PSSM leuke en goede rij- en werkdieren zijn, maar voor veel eigenaren van een PSSM-er blijkt dit in de praktijk erg tegen te vallen. 


PSSM type 2 – voeding

 

Paarden met PSSM type 2 worden geboren met een mechanisme van constante spierafbraak. Hierdoor heeft een paard met PSSM type 2 een voortdurend (sterk!) verhoogde behoefte aan eiwitten, die belangrijk zijn bij de aanmaak en reparatie van spierweefsel. Eiwitten bestaan simpel gezegd uit een keten van aminozuren. Ontbreken er bepaalde aminozuren, dan zal deze keten niet compleet zijn, waardoor er niet genoeg eiwitten beschikbaar zijn voor de aanmaak van spiercellen. Essentiële aminozuren zijn aminozuren die een paard zelf niet aan kan maken in het lichaam en die het daarom via de voeding binnen moet krijgen. De essentiële aminozuren waar het vaakst een tekort aan is in het (ruw)voer en die bovendien een bottleneck functie hebben bij het bouwen van eiwitten zijn: lysine, methionine en threonine. Deze aminozuren zijn dus extra belangrijk en er zijn eigenaren van paarden met PSSM type 2 die al veel succes boeken met het bijvoeren van slechts deze drie aminozuren. De standaard gift van deze aminozuren is 10 gram L-lysine, 5 gram DL-methionine en 2 gram L-threonine. Voor merries is het soms beter in plaats van 5 gram 2 gram DL-Methionine te voeren aangezien merries hormonaal kunnen reageren op methionine.

 

Veel paarden met PSSM type 2 lijken gebaat bij extra natuurlijke vitamine E (2000 - 6000IU). Vitamine E is een goede anti-oxidant, wat aanvallen helpt voorkomen. Ook paarden met PSSM type 2 hebben vaak baat bij extra Magnesium (8-15 gram) en zout (15-40 gram). Extra vet is niet noodzakelijk, maar een bron die rijk is aan omega 3 en laag aan omega 6 kan helpen ontstekingen te voorkomen. Lijnzaad en lijnzaadolie zijn een geschikte bron van vet en hoog in omega 3. 

 

Voorbeelden van eiwitrijk en daardoor geschikt voer voor paarden met PSSM type 2 zijn luzerne, esparcette en soya, maar hier moet bij vermeld worden dat niet elk paard deze voedingsmiddelen even goed verdraagt. Ook hennep (de gemalen hele plant met een te verwaarlozen aandeel THC) is al met succes gebruikt voor paarden met PSSM type 2.  Er kan ook voor worden gekozen aminozuren/eiwitten toe te voegen in de vorm van een supplement. Deze zijn veelal op basis van wei, daar wei een zeer compleet aminozurenprofiel heeft. Wei kan ook in licht bewerkte vorm aan paarden worden gevoerd in de vorm van weiconcentraat of wei-isolaat. Een alternatieve en plantaardige eiwitbron die geschikt is voor paarden is dat erwteneiwitpoeder (pea protein) of rijsteiwitpoeder. Een richtlijn voor de hoeveelheid eiwitten per dag is 50-200 gram. 

 

Paarden met het Px gen hebben een iets andere aanpak nodig. Zij zijn gebaat bij een dieet dat een combinatie is van dat voor een paard met PSSM type 1 (dus laag in suikers met een vetbron voor energie) en een paard met PSSM type 2 (eiwitten/aminozuren). Paarden met het Px gen kunnen bovendien explosief reageren op een hoog calcium- en/of kaliumgehalte in hun voeding. Voor deze paarden zijn alfalfa/luzerne en soja om deze reden vaak ongeschikt. Een paard met de Px variant kan worden geholpen bij het compenseren voor een hoog kaliumgehalte in het voer (wat veel voorkomt in Nederland) door het bijvoeren van zout. Voor paarden met Px is het bijvoeren van zout dus extra belangrijk.

 

 

Het dient benadrukt te worden dat PSSM type 2 géén suikeropslagprobleem is en dat een dieet dat geschikt is voor een paard met PSSM type 1 dergelijke paarden niet (voldoende) zal helpen! Over het algemeen kunnen paarden met PSSM type 2 wel gewoon op de wei, in tegenstelling tot paarden met PSSM type 1. Uitzondering daarop zijn paarden met de Px variant. Zij doen het vaak het beste op een dieet dat vergelijkbaar is met dat voor een paard met PSSM type 1.

 

 

 


PSSM type 2 – beweging

 

Er is tot nu toe erg weinig bekend over op welk soort beweging paarden met PSSM type 2 het over het algemeen het beste doen. Gezien de constante spierafbraak bij dergelijke paarden lijkt extra beweging in geval van stijfheid geen zin te hebben, daar deze paarden niet gebaat zijn bij de afvoer van overvloedige suikers in de spieren. Het lijkt meer waarschijnlijk dat extra beweging meer spierschade veroorzaakt.

De ervaring van eigenaren met paarden met PSSM type 2 leert dat zij veelal gebaat zijn bij een trainingsschema waarbij rustdagen worden ingebouwd tussen de trainingsdagen. Rustdagen geven het paard de tijd det tijdens de training veroorzaakte spierschade te repareren; een proces dat bij paarden met PSSM type 2 meer tijd kost dan bij paarden zonder PSSM type 2.